Înapoi la articole →

Cel mai recent articol

Ultima verificare

Urmăritori 0 urmăritori
Articole: 202
  1. Besteld / bestelt

    Wanneer is bestelt goed en wanneer besteld?

  2. U zult / u zal

    Wat is goed: u zult of u zal?

  3. U kunt / u kan

    Wat is goed: u kunt of u kan?

  4. U wilt / u wil

    Wat is goed: u wilt of u wil?

  5. Erin / er in

    Wat is juist: erin slagen of er in slagen?

  6. Bewaard / bewaart

    Wanneer is bewaart goed en wanneer bewaard?

  7. Behaald / behaalt

    Wanneer is behaalt goed en wanneer behaald?

  8. Ervan / er van

    Wat is juist: ervan vinden of er van vinden?

  9. Beloond / beloont

    Wanneer is beloont goed en wanneer beloond?

  10. Beschouwd / beschouwt

    Wanneer is beschouwt goed en wanneer beschouwd?

  11. Benoemd / benoemt

    Wanneer is benoemt goed en wanneer benoemd?

  12. Dit is waarom ...

    Is een kop die begint met ‘Dit is waarom …’ goed Nederlands?

  13. Behandeld / behandelt

    Wanneer is behandelt goed en wanneer behandeld?

  14. Bepaald / bepaalt

    Wanneer is bepaalt goed en wanneer bepaald?

  15. Bevestigd / bevestigt

    Wanneer is bevestigt goed en wanneer bevestigd?

  16. Bedreigd / bedreigt

    Wanneer is bedreigt goed en wanneer bedreigd?

  17. Ontkent / ontkend

    Wanneer is ontkent goed en wanneer ontkend?

  18. Het voorzetsel van

    Hoe gebruik je het voorzetsel van?

  19. Erop / er op

    Wat is juist: erop rekenen of er op rekenen?

  20. Wat is goed: iemand anders fiets of iemand anders’ fiets (met een apostrof)?

  21. Samenkoppeling

    Wat betekent de term samenkoppeling?

  22. Hoort er bij meer dan één een enkelvoud of een meervoud?

  23. ChatGPT en taalvragen

    Kan ik ChatGPT of een ander AI-model gebruiken voor mijn taalvragen?

  24. Als je een deel van een citaat weglaat, hoe geef je dat dan aan?

  25. Eenzinsdeelproef

    Wat is de eenzinsdeelproef en waarvoor kun je die gebruiken?

  26. Eraan / er aan

    Wat is juist: eraan denken of er aan denken?

  27. Verteld / vertelt

    Wanneer is vertelt goed en wanneer verteld?

  28. Wat is juist: strategischonderzoekscentrum of strategisch onderzoekscentrum?

  29. Bedoeld / bedoelt

    Wanneer schrijf je bedoelt en wanneer bedoeld?

  30. 4,5 minuut / minuten

    Is het 4,5 minuut of 4,5 minuten?

  31. Fijne / fijn Pinksteren

    Wat is goed: een fijn Pinksteren of een fijne Pinksteren?

  32. Zinnen met ontkenningen

    Waarom zijn zinnen met ontkenningen vaak moeilijker te begrijpen?

  33. Kun je hen gebruiken in ‘Daar loopt hen’, dus als enkelvoudig genderneutraal woord?

  34. Wat is juist: Burgemeester van de Pollstraat of Burgemeester Van de Pollstraat?

  35. Het voorzetsel aan

    Hoe gebruik je het voorzetsel aan?

  36. Wat is juist: ‘Ik ben gevraagd om een presentatie te geven’ of ‘Mij is gevraagd om een presentatie te geven’?

  37. Wat is goed: op steenworp afstand of op een steenworp afstand?

  38. Wat is juist: industriële revolutie of Industriële Revolutie?

  39. Ervoor / er voor

    Wat is juist: ervoor zorgen of er voor zorgen?

  40. Wat is goed: met oog op duurzaamheid of met het oog op duurzaamheid?

  41. C (uitspraak)

    Hoe spreek je de c uit?

  42. Wat is juist: 3,5 miljoen of 3.5 miljoen?

  43. G en ch (verschil)

    Waarom hebben we een g én een ch?

  44. Wat is goed: middenklassenauto of middenklasseauto?

  45. Ch (uitspraak)

    Hoe spreek je de ch uit?

  46. Wat is juist: de honderd meter lange oprijlaan of de honderd-meter-lange oprijlaan?

  47. Onnavolgbaar (betekenis)

    Wat betekent onnavolgbaar?

  48. Voltooid deelwoord

    Wat is een voltooid deelwoord?

  49. Biljoen, triljoen

    Hoeveel is een biljoen?

  50. De / het blijk

    Wat is goed: de blijk van waardering of het blijk van waardering?